Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB9750

Datum uitspraak2007-11-21
Datum gepubliceerd2007-12-10
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/7241 WW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vernietiging besluit inzake WW omdat de hoorplicht was geschonden.


Uitspraak

06/7241 WW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 november 2006, 06/2712 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 21 november 2007. I. PROCESVERLOOP Namens appellante is hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2007. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.T. Martens, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand. Namens het Uwv is verschenen mr. W.P.F. Oosterbos, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. OVERWEGINGEN 1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. 2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 april 2006 (het bestreden besluit) waarin het Uwv haar bezwaar tegen het besluit van 9 februari 2006 ongegrond heeft verklaard. Ingevolge die besluiten heeft appellante met ingang van 16 januari 2006 recht op een WW-uitkering die, ondanks het feit dat er sprake was van een arbeidsuren-verlies van 38 uur per week, wordt vastgesteld op 20 uur per week, omdat appellante zich slechts voor dat aantal uren beschikbaar heeft gesteld voor arbeid. 3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 4. De Raad overweegt het volgende. 4.1. Ter zitting van de Raad is namens appellante, naast een herhaling van het in eerste aanleg ingenomen standpunt dat haar WW-uitkering met ingang van de eerste werkloosheidsdag ten onrechte gedeeltelijk is beëindigd, voor het eerst als grief naar voren gebracht dat zij in de bezwaarfase ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld haar bezwaren tegen het besluit van 9 februari 2006 tijdens een hoorzitting toe te lichten. 4.2. Artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat, voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, het belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat van het horen kan worden afgezien indien de belanghebbenden hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord. 4.3. Namens het Uwv is desgevraagd aangevoerd dat aan appellante geen uitnodiging voor een hoorzitting is toegezonden. Wel is in het kader van een sinds twee jaar lopend project van het Uwv, genaamd “De andere aanpak”, telefonisch contact met haar opgenomen om haar bezwaren en mogelijke oplossingen daarvoor te bespreken. Een dergelijk telefoongesprek is niet bedoeld als hoorzitting in de zin van artikel 7:2 van de Awb, maar kan tot gevolg hebben dat belanghebbenden geen prijs meer stellen op een hoorzitting, omdat zij aan de desbetreffende beambte hebben verteld wat zij wilden, dan wel voldoende informatie hebben gekregen over het besluit waartegen het bezwaar was gericht. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting van de Raad een print uit het geautomatiseerde systeem van het Uwv overgelegd waarop is vermeld dat in het kader van “De andere aanpak” op 5 april 2006 een telefoongesprek met appellante heeft plaatsgevonden. Uit het op die print bij “resultaat” vermelde gegeven “afspraak een beslissing op bezwaar af te geven”, leidt het Uwv af dat appellante te kennen heeft gegeven geen behoefte meer te hebben aan een hoorzitting. Desgevraagd is namens het Uwv verklaard dat het niet beschikt over een op schrift gestelde weergave van dat telefoongesprek. Namens appellante is gepersisteerd bij de stelling dat zij het recht om te worden gehoord niet heeft prijsgegeven. 4.4. De Raad stelt vast dat uit de gedingstukken niet blijkt dat appellante in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, noch dat zij van haar bevoegdheid heeft gebruik gemaakt geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord. 4.5. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat appellante ten onrechte niet door het Uwv in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord als bedoeld in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb. De Raad zal derhalve - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:2 van de Awb vernietigen. Het Uwv zal een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 februari 2006 moeten nemen. 5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep, op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal op € 966,--. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit; Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 februari 2006, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 143,-- (€ 38,-- + € 105,--) vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 november 2007. (get.) T. Hoogenboom. (get.) M.B. de Gooijer. HD 07.11